Overvloed als Broedmachine

0
3

Op ieder potje past een dekseltje, zeggen ze wel eens. Voor nieuwe ideeën is dat niet anders. Het effectief delen van overvloed en kennis kan helpen om de juiste match te vinden. Voor ideeën, en daarmee ook voor mens en werk. Zo ontstaan soms dingen die eerder voor onmogelijk werden gehouden. 

In het calvinistische Nederland, misschien nog wel meer dan elders, is ‘hard voor weinig, nooit chagrijnig’ een volksmotto geworden. “De aardbodem [is] omwille van u vervloekt” zo luidt de Bijbel al bijna direct aan het begin, als de mens het paradijs uitgebonjourd wordt. “Met zwoegen zult u daarvan eten, al de dagen van uw leven; dorens en distels zal hij voor u laten opkomen en u zult het gewas van het veld eten. In het zweet van uw gezicht zult u brood eten, totdat u tot de aardbodem terugkeert.” Stevige taal.

Overvloed: een utopie?
Overvloed was er ooit ook, in de Hof van Eden, waar alles letterlijk aan de bomen groeide en de mens zorgeloos en al vruchtenplukkend door het leven kon gaan. Zo’n situatie zou er eens ook wel weer komen, maar uitsluitend als religieuze toekomstverwachting, waar God zelf alles nieuw maakt. Maar tot die tijd is het gebukt gaan onder arbeid een heilige plicht, een soort ascese die in de hemel tienvoudig vergoed zal worden. Luieren en tegelijk het goede leven genieten is voor de calvinist niet alleen moreel verwerpelijk maar ook onmogelijk. “Wie niet wil werken, zal ook niet eten.” Middeleeuwse voorstellingen van Luilekkerland, waar gebraden varkentjes als wandelende rollades voor je uitdartelen, zijn een utopie in de letterlijke zin van de oorspronkelijk Griekse herkomst van het woord: ‘ou topos’, oftewel non-plek – een wereld die fundamenteel niet kan bestaan. Een vorm van dit gedachtegoed is zo diep in ons cultureel bewustzijn gebrandmerkt dat overvloed vaak lastig te begrijpen blijft.

Nooit meer werken
Toch zijn er wel degelijk mensen die geloven we in de nabije toekomst nooit meer zullen hoeven te werken. Zelfs al eerder in de geschiedenis dan je misschien zou denken. Toen de industriële revolutie het produceren van voedsel en goederen voor het eerst op massale schaal mogelijk maakte, klonken de gedachten van intellectuelen soms al opvallend identiek aan hedendaagse voorspellingen van popfuturisten als Yuval Noah Harari. Maar in tegenstelling tot nu, was de gedachte dat machines de mens spoedig overbodig zullen maken destijds geen schrikbeeld maar juist een hoopvol vooruitzicht. Toekomstdromen gebaseerd op overvloed waren ook populair in de 20e eeuwse culturele avant-garde en science-fiction. Laten we Star Trek nog maar weer eens als voorbeeld nemen. In het Star Trek universum zijn het Replicatoren, een soort magische 3D printers die elk mogelijk object atoom voor atoom uit de lucht kunnen toveren, die de crew van basisbehoeften als voedsel, frisse lucht en drinkwater voorzien. “Machines of Loving grace“, noemt de Californische dichter Richard Brautigan dit soort technologie in 1972: mechanische opperwezens die de mens uiteindelijk van de oervloek zullen bevrijden en weer terugbrengen naar het paradijs. De Nederlandse kunstenaar Constant Nieuwenhuys gaat zelfs nog een stap verder. Zijn speculatieve ontwerp – een levenswerk waar hij van 1959 tot 1974 aan werkte – voor een volledig geautomatiseerde speeltuin-stad die de gehele wereld omspant, noemde hij ‘Nieuw Babylon‘, als een soort techno-hedonistische tegenhanger van het Bijbelse Nieuw Jeruzalem, waarin de homo ludens, de vrije, spelende mens, de werkende, burgerlijke mens spoedig zou gaan vervangen als het nieuwe culturele ideaalbeeld.

Economisch overbodig
Hoewel mechanisering en automatisering een inderdaad vogenvlucht hebben genomen, heeft geen van deze futuristen hun droom wezenlijk dichterbij zien komen. De economische voorspoed van de jaren ’60 bracht weliswaar meer algehele welvaart en vrije tijd, maar een maatschappijbrede loskoppeling van arbeid en welvaart is er nooit gekomen. In tegendeel, na de economische crisis van de jaren ’70 en ’80 is de kloof tussen grote, steeds internationaler opererende bedrijven aan de ene kant en werkenden aan de andere kant, alleen maar toegenomen. En hoewel internet wel degelijk kansen creeërde voor nieuwe vormen van werken en ondernemen, kwam de platformrevolutie temidden van een situatie waarin maatschappelijke functies als communicatie en vervoer nieuw marktterrein waren geworden. Op die manier kon deze nieuwe welvaart, met name op het gebied van data en kunstmatige intelligentie, zich concentreren in de handen van een klein groepje techbedrijven uit Silicon Valley. Daarom is het weg-automatiseren van steeds meer vormen arbeid op dit moment allesbehalve een utopie. Behalve in de rol van consument, staat een groeiende groep mensen wereldwijd, vaak zonder het zich te realiseren, op het punt om economisch overbodig te worden. En wat dan? Hier wordt mijn theoretische verhaal persoonlijk.

Afstand tot de arbeidsmarkt
Als gevolg van een handicap in het autismesprectrum heb ik een zogeheten ‘afstand tot de arbeidsmarkt’. Dit houdt in dat je niet kunt voldoen aan het basisniveau van een baan in loondienst. Het loon is immers gebaseerd op wat een gemiddelde werknemer zou moeten presteren. Hoe minder banen ten opzichte van het aantal kandidaten, des te feller de competitie. En hoe hoger het gemiddelde niveau, des te zwaarder de eisen. In mijn eigen veld bijvoorbeeld, de theoretische sector, concureert een goed opgeleide generatie voor een beperkt aantal banen. Wie uiteindelijk in loondienst aan de slag wil als onderzoeker of adviseur, zal daarvoor eerst zelf de sporen moeten verdienen, en vervolgens te maken krijgen met veel eigen verantwoordelijkheid en een hoge tijdsdruk. In de praktisch georiënteerde sectoren komt veel aan op snelheid.

Beide valkuilen zijn mij op een indringende manier duidelijk geworden. Zo moest de plasticfabriek waar ik eens werkte de machines, die een constante stroom dekseltjes uitspuwden, voortdurend langzamer zetten – of zelfs uit, omdat de plaat al weer was volgelopen en er dekseltjes tussen de wielen vast begonnen te raken. “Je bent een ontzettend aardige en intelligente jongeman,” zei de bedrijfsleider in een filmwaardig functioneringsgesprek, waarvoor ik al na een paar dagen naar het kantoortje werd geroepen, “maar ik denk dat je zelf ook wel inziet dat dit ‘m hier niet gaat worden.”​​ Aan de andere kant lukte het mij na een onderzoekstage ook niet om, zonder de juiste begeleiding, mijn project zelfstandig om te zetten in een academische publicatie, en daarmee het vertrouwen te krijgen voor een PhD.

Wie betaalt bepaalt
Sindsdien ben ik kunst gaan maken. Ik schreef over underground muziek, ontwikkelde een businessplan voor een cultureel stadslab, archiveerde trends in visuele internetcultuur en heb geprobeerd aan de weg te timmeren als DJ-producer. Daarbij kon ik gelukkig terugvallen op de WAJONG, die ik een aantal jaar eerder gelukkig toegewezen had gekregen. Ideaal, zou je denken: minder druk om onmiddellijk te solliciteren, en voldoende ruimte om dingen te kunnen ontwikkelen die ik zelf belangrijk vind. Maar er bleef iets dwars zitten. “Wij zijn geen cultuursubsidie” zei het UWV met enige regelmaat. “U mag best een hobby hebben, maar het is wel de bedoeling dat u gaat reïntegreren, weer gaat participeren in de maatschappij.” En ergens kan ik ze geen ongelijk geven. Aanlopen tegen de economische grenzen van de dingen die ik ondernam, en op andere manieren steeds weer opnieuw probeerde, wierp de vraag op wat dat dan inhoudt, ‘participeren’, als je tegelijkertijd economisch overbodig bent. In de gemeente Rotterdam waren ze daar al over uit. Daar behoort straatvegen, plantsoenprikken of schoonmaakwerk tot het standaard reïntegratiepakket. Wie weigert krijgt geen uitkering meer. Immers, voor wat hoort wat, en wie betaalt bepaalt.

In het licht van een nabije toekomst waarin een groeiende groep mensen een afstand tot de arbeidsmarkt zou kunnen gaan ontwikkelen vanwege automatisering, is de vraag hoe we niet alleen onze tijd gaan invullen maar die ook kunnen bekostigen (en ten koste van wat) relevanter dan ooit. Veel voorvechters van een universeel basisinkomen kijken naar de overheid als meest voordehandliggende oplossing om de balans tussen grote bedrijven en al dan niet werkende burgers recht te trekken, en op die manier een potentieel aan creatieve mogelijkheden te ontketenen waar de avant-garde een eeuw geleden al van droomde: vrijheid van tijdsinvulling en extra besteedbaar geld. De roodgloeiende NFT markt van vorig jaar, die deels werd gedreven door de Amerikaanse Covid steunpakketen, is daar eigenlijk al een voorafspiegeling van.

Overvloed delen als alternatief
Toch is het de vraag of het nodig is om passief af te wachten op een dergelijke ingreep van buiten- of bovenaf. De bestaande economische processen, hoe efficient ingericht ook, creëren elke dag automatisch al zo’n onbenutte potentieel aan overvloed. Het gericht delen daarvan kan een basis bieden om een werkelijkheid te laten groeien die de economische basiswetten aan z’n laars lijkt te kunnen lappen. Dit besefte ik inmiddels zeven jaar geleden toen ik, in de tijd dat ik verwoede pogingen deed om die onderzoekspaper op papier te krijgen maar niet meer in het universiteitskantoortje kon zitten, voor het eerst Seats2meet binnenliep. Ik trof daar niet alleen een werkplek en inspirerende omgeving aan maar kon in die tijd zelfs aanschuiven voor de lunch, zonder te hoeven betalen met geld. Milton Friedman zou daar vast vanalles van gevonden hebben, maar voor mij is het levensveranderend geweest.

Waarde uitbroeden
Het basisprincipe dat iedereen potentieel relevante kennis bezit, onafhankelijk van je sociaal-maatschappelijke positie, en daarvoor het vertrouwen krijgt om onderdeel uit te maken van een dynamisch kennis-ecosysteem, creëert een soort maatschappelijke broedmachine. Het geeft non-conventionele ideeën, die op dat moment nog niet goed passen in de economische omgeving, de kans om zich te rustig kunnen ontwikkelen, verbeteren en kruisbestuiven, en zodoende een plek te vinden in een nieuwe werkelijkheid die gezamenlijk vormkrijgt. Zulke ideeën, of de mensen die ze ontwikkelen, lijken eigenlijk een beetje op de plastic dekseltjes die ik er destijds uit moest sorteren en weggooien omdat ze niet helemaal naar de standaard gestampt waren en dus niet goed op de evenzeer uniforme bakjes pasten. Maar in plaats van de machine alleen langzamer te kunnen zetten, of uit, stelt overvloed en effectief kennisdelen ze in staat om de juiste match te kunnen vinden. Wie weet kan er daardoor zelfs iets verrassend nieuws worden verpakt. Dit is een kwestie van durf, vertrouwen, creativiteit en een lange adem. Maar gelukkig is er ook tijd in overvloed.